Els durfde de enveloppen niet meer open te doen — tot we samen begonnen tellen

Els zat tegenover me met een plastic mapje vol brieven.
Netjes gesorteerd, maar allemaal nog dicht.
“Die liggen daar al maanden,” zei ze zacht. “Ik weet dat ik ze moet openen, maar ik durf het niet.”

Dat ene zinnetje hoor ik vaker dan je zou denken.
Niet omdat mensen koppig zijn, maar omdat angst het overneemt.
Elke brief lijkt een dreiging te zijn.
Na een tijd durf je ze gewoon niet meer aan te raken.
En zo stapelt niet alleen de post zich op, maar ook de angst.

Ik vroeg haar of we er eentje samen zouden openmaken.
Ze knikte, maar haar handen trilden.
Het bleek een gewone afrekening van de elektriciteit te zijn — niks rampzaligs, gewoon iets wat te lang was blijven liggen.
Ik zag haar zichtbaar ontspannen. “Is dat alles?”, vroeg ze.
“Voor deze wel,” zei ik, “maar stel dat we er nog eentje doen?”

Twee uur later lagen alle brieven open.
Sommige met bedragen, sommige al betaald, sommige die nog moesten bekeken worden.
Voor het eerst in maanden had ze weer overzicht.
Geen mirakel, geen wonderoplossing — gewoon duidelijkheid.

Toen we klaar waren, zei ze:
“Het voelt nog steeds zwaar, maar niet meer hopeloos.”
En dat is precies wat ik mensen gun.
Niet dat alles in één dag opgelost raakt, maar dat het begin er is.
Dat moment waarop de chaos eindelijk een naam krijgt en je weer durft te ademen.

Als je dit leest en denkt: zo ver ben ik zelf ook al geweest, weet dan dat het niet te laat is.
Soms heb je alleen iemand nodig die naast je gaat zitten en zegt:
“Kom, we beginnen met één envelop. De rest komt wel.”